Kernpunten
· AI is niet zomaar een volgende golf in de industriële revolutie. Het is een revolutie op zich — de intelligentie revolutie.
· Ons mensbeeld – de Homo Economicus – past niet meer.
· De Homo Florens is het lange termijn perspectief. Maar de sprong is te groot zonder brug.
· Die brug is de Homo Conexus: verbinding als zijnskwaliteit.
· Europa is goed voorgesorteerd om een voortrekkersrol te hebben in de systeemverandering
· Organisaties hebben de slagkracht om deze beweging te versnellen.
· Conexo ergo sum. Ik verbind, dus ik besta.
Van Homo Economicus naar Homo Florens via Homo Conexus
AI, de mens & de maatschappij. Dat is speelveld waar we naar kijken. Welke rol speelt AI in ons leven en wat betekent het voor de mens en voor de maatschappij? Wat ik echter zie is dat we bezig zijn met een andere vraag: “Hoe implementeren we AI?“. In dit essay krijg je daar geen antwoord op. Ik stel bewust een andere vraag centraal: “Wie zijn we eigenlijk, nu AI ons denken overneemt?” Misschien filosofisch, maar urgent. Want zonder antwoord bouwen we een toekomst die we niet begrijpen op een fundament dat al aan het schuiven is.
Buckminster Fuller zei: specialisten runnen de wereld, maar generalisten zien de lange lijnen en zijn daarom verantwoordelijk voor de beweging. Dit essay is een uitnodiging om de lange lijnen te zien. Niet 3 jaar, niet 10 jaar — maar 100, misschien wel 400 jaar. Want misschien kunnen we daarmee de beweging versnellen.
Buckminster Fuller – ‘Bucky’ (1895 – 1983) over generalisten & specialisten
De Amerikaanse denker, ontwerper en maker Buckminster Fuller — bekend van zijn geodetische koepels en zijn visie op de aarde als ‘Spaceship Earth’ — stelde al decennia geleden een ongemakkelijke waarheid vast: de wereld wordt gerund door specialisten. Mensen die diep in hun vakgebied zitten, die de details beheersen en daarmee ook de macht. Dat is niet toevallig zo gegroeid, schreef hij. Specialisatie maakt mensen beheersbaar. Wie alleen zijn eigen stukje ziet, stelt de grote vragen niet.De generalist — degene die het grote plaatje overziet, de lange lijnen trekt en verbanden legt die anderen niet zien — heeft het dan ook niet makkelijk. Die krijgt tegenwerking. Wordt gezien als te vaag, te breed, niet concreet genoeg. Maar Fuller geloofde juist dat de generalist onmisbaar is. Niet ondanks het grote plaatje, maar dankzij het grote plaatje. Fuller zelf was zo iemand: architect, filosoof, ingenieur, futurist én maker in één. Een zeldzame combinatie. Hij dacht in systemen, in tijdschalen, in mogelijkheden die anderen nog niet konden zien.
400 jaar geleden
Als ik naar de geschiedenis kijk dan zie ik een kantelpunt zo’n 400 jaar geleden. Rond die tijd deelde René Descartes zijn visie “Cogito ergo sum” – ik denk, dus ik besta. Dat paste bij de tijdgeest. Er ontstond een verschuiving van de macht van de kerk naar het verstand. Ruim baan voor de wetenschap en de ratio.
Dat heeft ons geen windeieren gelegd. Ons welzijn is in de loop der eeuwen aanzienlijk verbeterd. We zagen de verschillende industriële revoluties; mechanisering, massaproductie, automatisering & connectiviteit.
Deze ontwikkeling ging hand in hand met economische groei. Het terrein van de Homo Economicus, die keuzes maakt om eigen nut of winst te maximaliseren.
Herkenbaar? Dat is ons ‘zijn’ van nu. Een jas, een mensbeeld, misschien wel een ‘keurslijf’. En hoewel ik niet op de zaken vooruit wil lopen, het klopt dat die jas ons niet goed meer past. Daarover later meer.
Een nieuwe revolutie
Kijken we vooruit dan verschuiven we van industriële revoluties naar iets van een heel andere orde. Tot nu toe was het intellect het exclusieve domein van de mens. Maar dat is met AI van de baan. We hebben iets ontwikkeld wat slimmer is dan wij. Dus dit is niet de volgende golf in de industriële revolutie, maar een nieuwe revolutie: een intelligentie revolutie. En daarmee komen we op een interessant punt. Een punt waarop ons eigen bestaan, onze identiteit, ons mensbeeld kan gaan wankelen. Of positiever gezegd, een punt waarop het logisch is dat we met andere ogen naar onszelf mogen kijken. Past deze jas ons nog?
De afgelopen jaren zijn er verschillende verkenningen gedaan naar een toekomstig mensbeeld, onder andere in opdracht van de Goldschmeding Foundation en ABP. Professor Patrick Nullens, hoogleraar Leiderschapsethiek aan de Universiteit voor Humanistiek, is helder: ‘De Homo Economicus mag met pensioen.’ Hij introduceerde de Homo Florens. De ‘bloeiende mens’, die leeft in harmonie met de omgeving. Een bijna paradijselijk beeld. Prachtig en hoopvol. Dat klinkt ver weg. En dat is het ook — als je het ziet als een sprong. Maar niet als je het ziet als een groeipad. Want de weg ernaartoe begint niet ergens in de toekomst. Die begint bij jezelf, vandaag.
Waar staan we nu
Kijkend naar de tijd van nu, terug naar de jas die ons niet meer past; de Homo Economicus, waar we ons langzaam van afkeren. Volgens mij voelen we dat allemaal. Onze waarden verschuiven. We realiseren dat ik niet kan zijn zonder de ander. We zitten aan het eind van de tijd van de Economicus.
Het Amerikaanse onderzoeksbureau Gallup, wereldwijd toonaangevend in onderzoek naar werkbetrokkenheid, meet het jaarlijks. Hun meest recente rapport is ontnuchterend: wereldwijd is slechts 21% van de medewerkers echt betrokken bij hun werk. Voor Europa is dat nog scherper — slechts 13%. Al vijf jaar op rij de laagste score ter wereld. In Nederland 16%. In Frankrijk en Duitsland 8% en 12%. Mensen functioneren, maar ze bloeien niet. De Homo Economicus levert output, maar geen verbinding.
Interessant is de paradox die de data laat zien. Want Europese werknemers rapporteren ook minder stress, minder eenzaamheid en meer welzijn dan in de VS — die juist hoog scoren op betrokkenheid. Amerikanen zijn blijkbaar meer betrokken, maar ook meer gestrest en eenzaam. Europeanen zijn minder gebonden aan hun werk als bron van identiteit en waarde — en gelukkiger.
Het lijkt erop alsof we in Europa de Homo Economicus-logica — werk is identiteit, prestatie is waarde — al deels hebben losgelaten. Onbewust, maar de ontkoppeling is er. En dan zijn we in Europa dus niet het achterblijvertje dat de cijfers suggereren, maar juist goed gepositioneerd om de systeemverandering die nodig is te versnellen. Want wie de Economicus al heeft losgelaten, hoeft niet meer overtuigd te worden. Die hoeft alleen nog richting te krijgen — en het lef om bewust voorop te lopen.
Overigens is loslaten is niet hetzelfde als aankomen. Wie de Economicus loslaat zonder nieuw kompas, dwaalt. En dat is precies wat we in veel organisaties zien: mensen die niet meer geloven in het oude verhaal, maar het nieuwe nog niet kennen.
Die richting begint bij waarden. Niet bij economische modellen of beleidsplannen — maar bij de fundamentele vraag: wat vinden we eigenlijk belangrijk?
En zo komen we bij een interessant onderzoek van Glocalities. Het laat zien dat die verschuiving meetbaar is. Zij doen grootschalig waardenonderzoek onder de brede bevolking waaruit blijkt dat mensen in hun hoop en verlangen steeds meer nadruk leggen op welzijn in plaats van welvaart — en dat veiligheid, zorgzaamheid, rechtvaardigheid en solidariteit de waarden zijn die mensen belangrijk vinden voor de richting van de samenleving. Tegelijkertijd laat het Gen Z-onderzoek van dezelfde organisatie zien dat deze verschuiving van onderaf wordt versneld. Onderzoeksdirecteur Martijn Lampert is er helder over: “het paradigma van de Homo Economicus is failliet”. De nieuwe generatie is op zoek naar een ander mensbeeld.
Dus kantelen we dan ineens naar de Homo Florens? Was dat maar waar. Deze twee mensbeelden staan zover van elkaar af, het is als water en vuur. Twee volstrekt andere realiteiten die elkaar nooit kunnen raken, laat staan dat je van de een naar de ander kunt overgaan, hoe graag we het ook zouden willen. Een te grote gap, die onverbrugbaar lijkt.
De brug
Lijkt, inderdaad. Want er is een weg. In 2019 verdiepte ik me in de vraag ‘wat betekent het om mens te zijn in een wereld met meer en meer AI’. Ik concludeerde dat wat ons als mens bijzonder maakt, niet ons verstand is. We hebben immers met AI iets gemaakt wat slimmer is dan wij. Wat ons als mens bijzonder maakt is iets heel anders, namelijk ons vermogen – en behoefte – om te verbinden. Met jezelf, met een ander en met alles wat er is. Ik noem dat de Homo Conexus.
En precies in het gat tussen de Homo Economicus en Homo Florens speelt de Homo Conexus een rol. Het is de brug. Vanuit verbinding met onszelf, de ander en met alles wat er is, komen we los van de grip van de Economicus. Verbinding gidst ons naar andere waarden, van waaruit we tot volle bloei kunnen komen.
Verbinding klinkt eenvoudig. Maar de praktijk ís niet eenvoudig. We zijn grootgebracht in een systeem dat ons heeft geleerd te presteren, te optimaliseren, te excelleren als individu. Verbinding — echte verbinding — is daarin nooit gevoed als kwaliteit.
En het is een kwaliteit. Eentje die je je hele leven ontwikkelt. Verbinding is geen toestand die je bereikt en dan vasthoudt. Het is een beweging. Je bent in verbinding, en dan ben je het even niet meer. Je zoekt de verbinding met jezelf, met de ander, met het grotere geheel. Steeds weer opnieuw. Wat groeit is de vanzelfsprekendheid waarmee je terugkeert — en de diepgang die je vindt.
Denk aan hoe je ooit hebt leren fietsen. Je viel, probeerde het opnieuw, concentreerde je je op elke beweging. Tot het op een dag gewoon ging. Fietsen als vanzelfsprekendheid.
Zo werkt verbinding ook. Je begint onbewust onbekwaam — je ziet nog niet eens wat je mist. Dan word je je bewust van wat verbinding vraagt, en merk je hoe onwennig het voelt. Langzaam wordt het bewuster, gemakkelijker. Tot het vanzelfsprekend is. Niet als techniek, maar als manier van zijn.
Hoe werkt verbinding
We duiken nog even dieper in verbinding, omdat het de essentiële kwaliteit is. Hoe werkt het precies? Het is ons kompas. En het beweegt altijd van binnen naar buiten. Het begint bij jezelf. Wie ben je, los van je rol, je titel, je prestaties? Niet wie je zou moeten zijn — wie je bent, in dit moment. Dat is identiteit. Niet als zelfkennis op papier, maar als thuiskomen bij jezelf. Dat je helemaal ok bent met wie je ben.
Vanuit dat thuis durf je jezelf te zijn in contact met anderen. Zonder masker, zonder strategie. Dat is authenticiteit — en het is zeldzamer dan we denken in een wereld die ons heeft geleerd ons aan te passen.
Als jij jezelf bent, en de ander zichzelf is, dan ontstaat er iets. Een wisselwerking die je kunt voelen. Ik zie jou, jij ziet mij. Je suis donc tu es. Dat is intimiteit — niet in de romantische zin, maar in de menselijke zin. Echte ontmoeting.
En dan het grootste: het besef dat je onderdeel bent van iets wat veel groter is dan jijzelf. Voorbij mensen, voorbij organisaties. Verbinding met de natuur, met het universum, met alles wat er is. Dat is inclusiviteit — en het is het verste punt van de beweging naar buiten.
Van binnen naar buiten. Van jezelf, naar de ander, naar alles wat er is. Steeds opnieuw. En vanuit die verbinding vinden we de weg naar waarden. Naar een waardevolle toekomst. Waarin AI heus wel een rol speelt, maar dienend, niet leidend.
En via de Homo Conexus — via die groeiende kwaliteit van verbinding — vinden we de weg naar de Homo Florens. Niet als paradijs dat we bereiken, maar als mens die we worden. Meesterschap in verbinding, is het moment waarop we aankomen bij de Homo Florens.
De jonge generatie als drijvende kracht
Bijzonder aan de tijd van nu is de rol van de jongere generatie, Gen Z. Niet volgend, maar bijna dwingend. Eerst even naar hun visie: Ongeveer een derde bestaat uit idealisten die maatschappelijk georiënteerd zijn en zich bezighouden met rechtvaardigheid en klimaat. Nog eens een derde is pragmatischer en meer gericht op persoonlijke groei en zekerheid. Wat ze delen – en dat is dus samen een ruime meerderheid – is dat de oude belofte van de Homo Economicus – harder werken, meer verdienen, hogerop komen — hen niet meer aanspreekt.
Dan naar hun invloed. Waarom heeft deze generatie eigenlijk invloed?
Deels door schaarste: er verlaten meer mensen de arbeidsmarkt dan er bijkomen. Dat gaf Gen Z aanvankelijk onderhandelingsmacht — ze konden eisen stellen aan werk, cultuur en waarden. Maar dat lijkt nu te kantelen. Grote reorganisaties leiden tot meer beschikbare mensen op de arbeidsmarkt. AI wordt ingezet om (veel) meer te doen met (veel) minder mensen.
Toch blijft de invloed van Gen Z significant vanwege het feit dat ze de eerste generatie is die volledig is opgegroeid met internet, sociale media en digitale technologie. De digitale wereld is hun natuurlijke habitat. Daarmee brengen ze ‘natuurlijke’ vaardigheden en een manier van denken mee die organisaties hard nodig hebben om vooruit te komen in de technologische versnelling. Iets wat oudere generaties gewoon niet hebben.
Die druk op het systeem vanuit een generatie is overigens niet nieuw. De Babyboomers deden hetzelfde. Ook zij hadden een unieke vorming — de eerste generatie zonder oorlog en armoede als referentiekader — die hen onvermijdelijk maakte. Instituten moesten zich aanpassen, of ze wilden of niet. Nu is het Gen Z’s digitale DNA dat diezelfde onvermijdelijkheid heeft.
Dus we zien een verschuiving in waarden, met Gen Z als belangrijke drijver, wat knaagt aan het beeld van de Homo Economicus.
De identiteitscrisis van de native Homo Economicus
C-level bestuurders zijn misschien wel een mooi ‘rolmodel’ van de gemiddelde Homo Economicus. Goed opgeleid, hard gewerkt, carrière gemaakt, het goed voor elkaar. Een hoge positie en een grote verantwoordelijkheid voor de continuïteit en groei van de organisatie.
Afgelopen week sprak ik een CEO. Ik legde hem uit over de ontwikkeling van Homo Economicus via Homo Conexus naar Homo Florens. Hij vroeg me “Weet je dit, of hoop je dit?”
Ofwel ben ik idealist of realist?
Een paar jaar geleden, toen ik mijn boek De Mens van Morgen schreef – dat was in 2019 – zou ik misschien meer in de idealistische hoek zitten. Nu zie ik zoveel beweging, zoveel initiatieven, zoveel mensen op allerlei posities die stappen durven zetten. De vraag stellen is een geweldig begin. Weet je dit of hoop je dit?
Ik durf te zeggen: het is sterker dan hoop, het is vertrouwen. Het is nog geen bewijs, maar ik heb een stellig vertrouwen dat we die kant op bewegen. Dat we de brug gaan vinden en in de overgang komen naar een toekomst waarin harmonie geen droom is, maar een gegeven.
Dit gesprek was niet het eerste. Ik spreek elke week veel bestuurders. De openheid om anders te gaan kijken is significant. Dat is nieuw!
Wie wil ik zijn?
Ik zie iets heel bijzonders. In mijn gesprekken met bestuurders merk ik dat de vragen niet alleen over hun organisatie gaan. Ze gaan over henzelf. Soms zitten ze tussen banen in. Stap ik weer in dezelfde race? Of is er iets anders wat ik moet doen — voor mezelf, voor mijn mensen, voor de wereld waar mijn kinderen in opgroeien?
Dat is verbinding die ongemerkt opkomt. En dat is precies wat verbinding doet: als je het voelt, voel je je ook verantwoordelijk. Niet als plicht, maar als vanzelfsprekendheid.
En die beweging — van wie wil ik zijn naar wie wil ik zijn als leider — is kleiner dan ze lijkt. Want de identiteit die we opnieuw mogen uitvinden speelt zich af op elk niveau tegelijk. Als individu. Als organisatie. Als maatschappij.
Dat is waarom bestuurders er toe doen. Niet de politiek — die beweegt van verkiezing naar verkiezing, niet in lange lijnen. Niet de overheid — die volgt, die leidt niet. Het zijn organisaties die de slagkracht hebben. De bewegingsruimte. De mensen. Het geld. En dus ook de verantwoordelijkheid om richting te geven. Om keuzes te maken die verder reiken dan het volgende kwartaal.
Als een CEO durft te vragen wie wil ik zijn — dan is de stap naar wie wil je zijn als organisatie eigenlijk al gezet.
De chaos voor de transformatie
We zijn nog aan het begin, en de weg van transformatie is niet makkelijk. Het bekende verhaal van de rups en de vlinder. De rups verdwijnt in de cocon, en als het moment er is, dan worstelt de prille vlinder zich uit de cocon. Je kunt het proces niet helpen. Je kunt de cocon niet openknippen, want dan is het zeker dat de vlinder het niet redt. Het ploeterproces zorgt ervoor dat de vlinder er precies zo uitkomt zoals de bedoeling is. Zodat het kan vliegen.
De parallel met onze realiteit is dat we in the ugly phase zitten. De wereld is een shitshow. Als je focust op alle nare dingen, dan kun je daarin verdrinken. Het is goed voor een serieuze depressie. Maar als je kijkt naar het perspectief, naar wat er mogelijk is, en als je dan durft te zien welke positieve ontwikkelingen er zijn, dan zul je – net als ik – vertrouwen krijgen dat we naar iets moois toebewegen. En verbinding is het sleutel woord.
Een systeem is een geheel van schakels. We zijn allemaal een kleine schakel in een groter geheel. Onze eigen schakel kunnen we veranderen, en als we dat gaan doen, dan verandert het geheel. Elke schakel telt — en heeft de grootsheid in zich om bij te dragen aan het geheel. Dat is wat ons te doen staat.
De cirkel is rond
En het allermooiste? Dit is geen sprookje. Het is een beweging die al gaande is — zichtbaar in de waarden die verschuiven, in de generatie die iets anders vraagt, in de bestuurders die durven twijfelen aan wat ze altijd zeker wisten.
Fuller had gelijk: specialisten runnen de wereld. Maar generalisten — mensen die de lange lijnen zien, die het grote plaatje durven te dragen — zijn degenen die de beweging in gang zetten. Niet door alles te weten. Wel door de verantwoordelijkheid te nemen die bij dat grote plaatje hoort.
400 jaar geleden zei Descartes: ik denk, dus ik besta. Het was het begin van een tijdperk waarin het verstand alles was. Dat tijdperk loopt op zijn einde. Een nieuw tijdperk dient zich aan, met een ander fundament:
Conexo ergo sum.
Ik verbind, dus ik besta.
Die verschuiving begint bij jou. Vandaag.
Bronnen
- Prof. dr. Patrick Nullens — ‘De Homo Economicus mag met pensioen’ (2022), Universiteit voor Humanistiek Utrecht
- Glocalities – ABP 2022 – ‘Pensioenuitdagingen voor een bloeiende samenleving in 2122’ (2022)
- Gallup – State of the Global Workplace (2025)
- Glocalities – Het Gen Z-onderzoek in samenwerking met Global Citizen — “Cultural Revolution Among Gen Z“
- Buckminster Fuller — Operating Manual for Spaceship Earth (1969)
- René Descartes — Discours de la méthode (1637)